Extaze 16

Gelezen door: André Oyen (3340 boeken)

Citaat: "Een film waaraan je zelf meedoet, zo leerde ik, begrijp je pas als ie klaar is."

Extaze is een literair kwartaalschrift 'verwijzend naar de extaze van Louis Couperus', gemaakt door een Haagse redactie maar bestemd voor heel Nederland en België. Het wordt samengesteld uit literair(verhaal, gedicht, essay) en beeldend werk van Nederlandse en Belgische schrijvers en kunstenaars. De afzonderlijke nummers (eigenlijk mooi uitgegeven boekwerken) van Extaze zijn niet strikt thematisch geordend, maar enige samenhang tussen de bijeengebrachte stukken is er wel. Het karakter van het nummer wordt versterkt door het werk van een beeldend kunstenaar.
Literaire inhoud, beeldend werk en vormgeving zijn nauw met elkaar verbonden. In dit ‘filmnummer’ van Extaze wordt de filmwereld op een minder commerciële manier bekeken en dat laat zich duidelijk voelen in de essays die vanuit diverse invalshoeken het thema film benaderen.
Pieter Verhoeff regisseur van films als Het teken van het beest, Nynke en De brief voor de koning, bijt de spits af. In een soort dagboekfragmenten vertelt hij over de perikelen die hij meemaakt om zijn recente filmproject the Tokyo trial op de rails te krijgen. Het Tokio-tribunaal ging op 3 mei 1946 van start. Het proces werd geleid door het International Military Tribunal for the Far East en is de geschiedenis ingegaan als een erg lang proces. Het proces liep tot 12 november 1948 en duurde daarmee ruim tweeënhalf jaar. Het tribunaal bestond uit elf rechters, uit elk van de overwinnende landen één. Namens Nederland nam de rechter Bert Röling zitting. In dit artikel blikt hij vooral terug op de problemen die de opdrachtgevers veroorzaakten met betrekking tot het scenario. Hij vergelijkt zijn ideeën met die van de Japanners en kijk ook terug op de realisatie van eerdere films zoals Het teken van het beest, Nynke en De brief voor de koning waar de werkwijze wel een stuk anders lag.
Schrijver en docent filmanalyse en scenarioschrijven Hans Muiderman raakte hevig geëmotioneerd toen hij Ik kom wat later naar Madra van Adriaan Ditvoorst voor de twintigste of dertigste keer zag. Zijn bijdrage is dan ook een bijzonder mooi portret van deze zeer getalenteerde maar ook zonderlinge filmmaker.
De films van Adriaan Ditvoorst zijn, wat verhaal of genre of uiterlijk betreft erg verschillend, maar toch heel herkenbaar. Hans Muiderman noemt hem de meester van de beweging en de stilte, van het intrigerende grensgebied tussen zichtbaar en onzichtbaar. Dankzij dit bijzonder knap opgebouwde artikel komt een monumentaal werk weer tot leven.
Jonas Bruyneel, onder meer criticus voor de filmbladen Filmmagie en Vertigo werpt zich op als scheidsrechter bij een filmduel tussen Nederland en België. Hij is Belg, maar is wel heel neutraal in zijn analyse van de filmproduktie. Toch moet hij vaststellen dat de overheersende roem van Nederland, zich naar België begint te verplaatsen zeker als je ook de grootheden uit de Waalse filmsector meetelt. Er zijn duidelijke verschillen in werkmethodes van de Belgen en de Nederlanders. En één van die verschillen zou wel eens de financiëring kunnen zijn, die tegenwoordig in België iets efficiënter dan in Nederland lijkt te gebeuren.
Lukas Simonis mede-oprichter van het'Derde circuit', ontleedt het begrip ‘cultfilm’ en stelt de vraag of de aldus aangeduide films nog gezocht en bekeken worden. Cultfilms zijn doorgaans films die bij de originele première weinig succes hadden of slechts een kleine distributie kenden (al bestaan er ook uitzonderingen). Menig criticus bezigde wel eens de uitdrukking:'Het is zo slecht, dat het goed wordt.' Lukas Simonis zal zich ook achter deze uitdrukking kunnen scharen maar hij toont toch ook zeer duidelijk aan dat het begrip cultfilm zeer divers geïnterpreteerd wordt, als je bijvoorbeeld nagaat dat de peetvader van de cultfilm Danny Peary Singing in the rain in zijn lijstje van favoriete cultfilms heeft staan.
Wim Noordhoek serveert ons een flinke brok nostalgie en brengt de magie die de film sinds zijn jeugd op hem heeft uitgeoefend onder woorden. Hij vertelt ook heel gedreven over een rol die hij als student mocht spelen in een film over een schoolidylle, die Paul Verhoeven maakte op het Haags gymnasium, de school waar hij ooit studeerde. Filosoof, schrijver en muzikant Cor Gout beschrijft de verschillen en de overeenkomsten tussen Rubber, het controversiële boek, van Madelon Székely-Lulofs, en Rubber, de film, van Gerard Rutten. De roman Rubber uit 1931 speelt op een rubberonderneming op Oost-Sumatra in periode waarin de Delische planterssamenleving een duizelingwekkende ontwikkeling doormaakt en waarin - tot de crisis van 1929 - veel geld wordt verdiend en verteerd. Met deze roman wilde Székely-Lulofs begrip vragen voor de vervreemding die de omstandigheden in het toenmalige Nederlands-Indië konden veroorzaken tussen Nederlandse ouders en kinderen. Rubber werd in vele talen vertaald. In 1936 verscheen de op het boek gebaseerde film Rubber. Toen in 1935 werd bekendgemaakt dat het controversiële boek verfilmd zou worden, kwam er onmiddellijk ophef. De Telegraaf sprak van een 'relletjesfilm' en het VNH-Tweede Kamerlid William Westerman diende zelfs een voorstel in voor een verbod. Het script werd uiteindelijk zo bewerkt, dat de film toch gemaakt mocht worden.Rutten volgde vrij goed het boek maar maakte er een pakkende vertelling van, een sociale satire over het leven in een Hollandse plantersgemeenschap tijdens Sumatra’s roaring twenties. Er sneuvelde diverse bacchanalen en het werd allemaal iets minder schokkend. Cor Gout beleefde aan boek en film merkbaar plezier en deelt dat heel overtuigend met zijn lezer. Dit filmnummer brengt fim op een vrij academische lezer naar de lezer maar beschikt toch ook wel over de nodige toegankelijkheid. Mij persoonlijk charmeerde deze extaze – uitgave vooral door de originaliteit van de onderwerpen.

 | Reacties (0)Delen |
0 reacties: