Jongen met rood vest

Gelezen door: André Oyen (3160 boeken)

Citaat: "Ze draait een film terug waarin deze man met zijn open gezicht langzaam zestig jaar jonger wordt."

Hein van der Hoeven (Haarlem, 1951; woonachtig in Den Haag) werkte van 1981–2014 op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn standplaatsen waren Leidschendam, Den Haag, Madrid en Hanoi. Vanaf 2012 verschenen diverse korte verhalen van zijn hand in literair tijdschrift ‘Extaze’. Met André Carstens, Aaltje de Roos en Felix Monter legde hij in 2013 vijfentwintig jaar BZ-cabaret vast in het boek ‘Apekool’. Hij is lid van het Haagse schrijverscollectief Wild Mind en voorzitter van het Springergenootschap. 'Jongen met rood vest' speelt zich af rond 2005. Bob en Heleen Prager zijn een echtpaar van in de zestig die na een lang verblijf in Mexico terug in Haarlem wonen . Zij krijgen bezoek van de advocaat Marc Bronstein, die vermoedt dat het meesterwerk Jongen met rood vest van Frans Hals, in 1946 door het Rijksmuseum verworven, roofkunst is. Het doek zou in de oorlog onttrokken zijn aan het bezit van een oom en tante van Bob. De advocaat stelt het echtpaar voor om het schilderij via een procedure terug te vorderen. Dit kunstwerk, ‘Jongen met rood vest’, hangt in het Rijksmuseum, maar bij de beschrijving staat niet duidelijk hoe het museum in het bezit ervan is gekomen. Het is niet aangekocht, noch geschonken, terwijl het wel in 1946 is ‘verworven’. Dit is reden genoeg voor de advocaat om het verhaal achter het schilderij te willen uitzoeken. Bob wil hieraan meewerken, Heleen ziet er niets in. Het onderzoek van de advocaat leidt naar Bentveld. Dat dorp heeft voor Heleen een bittere klank. Daar woonde namelijk de motorrijder die kort na de oorlog haar zusje Sonja doodreed. Met het voorstel van de advocaat keert het joodse element terug in het leven van Bob. Ogenschijnlijk had hij zich losgemaakt van zijn joodse wortels. ‘Noem mij geen jood, zelfs niet in je gedachten,’ droeg hij Heleen op toen hij met haar trouwde. D e auteur heeft ervoor gekozen het verhaal te vertellen vanuit Heleen, een vrouw op leeftijd. Het is weliswaar niet vanuit het ik-perspectief, maar de lezer krijgt meestal haar gedachten en ideeën mee. Dat is een interessante invalshoek, zij staat immers min of meer aan de zijlijn. Ze heeft zo haar gedachten over de advocaat, in het begin moet ze niets van hem hebben – vast een man die alleen aan geld en eigen gewin denkt –, maar langzaam aan waardeert ze hem meer en meer. Ook weet ze niet wat ze eventueel met het schilderij aan moet, mochten ze het uiteindelijk krijgen. Thuis aan de muur wil ze het niet. Misschien iets voor het Frans Hals museum? Bob worstelt met zijn Joodse komaf, hij wil er eigenlijk niet over praten en ook Heleen lijkt de afkomst van . haar man weg te stoppen. Maar door dit voorval, de geroofde kunst heeft daar natuurlijk alles mee te maken, moet Bob en ook Heleen een keuze maken. De meeste personen uit het verhaal komen voort uit de fantasie van de schrijver. Het schilderij van Frans Hals dat het onderwerp is van de roman, bestaat in werkelijkheid niet. Toch zal de kunstminnende lezer elementen aantreffen die hem, niet onbekend zullen voorkomen. Maar zeker naar het einde toe is er een onverwachte wending die mooi past bij het verhaal. Een mooi en boeiend boek waarin het zoeken naar een identiteit bijzonder knap is uitgewerkt. André Oyen

 | Reacties (0)Delen |
0 reacties: