Extaze 31 De eeuw van Gisèle

Gelezen door: André Oyen (3523 boeken)

Citaat: " Er valt veel over te zeggen om het leven van Gisèle een kunstwerk te noemen. Volgens sommige van haar vrienden is dit zelfs haar grootste en belangrijkste schepping geweest, belangrijker en indrukwekkender dan haar schilderkunst."

Het onderwerp van Extaze 31 zijn de thema’s die voorkomen in Annet Mooij’s bijzondere boek ‘De eeuw van Gisèle. Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’, waarin de omstreden literaire kring Castrum Peregrini een belangrijke plaats inneemt. In haar essay beschrijft Annet Mooij hoe Gisèle van haar leven een kunstwerk maakte waarbij ze fictie en verfraaiing niet schuwde. Een verfraaiing die biografe Mooij doorprikte. Marie Giselle Madeleine Josephine (Gisèle) d'Ailly-van Waterschoot van der Gracht (Den Haag, 11 september 1912 – Amsterdam, 27 mei 2013) was een Nederlands kunstenares en kunstmecenas. Ze was vooral bekend als schilderes en glazenier. Van 1931 tot 1933 studeerde Van Waterschoot van der Gracht aan de École des Beaux Arts in Parijs. Daar raakte ze bevriend met Judy Michiels van Kessenich, via wie ze de Limburgse kunstenaar Joep Nicolas leerde kennen. Van 1935 tot 1939 werkte ze als leerlinge en assistente van Nicolas in diens atelier in Leeuwen (bij Roermond). Hier leerde zij onder andere het brandschilderen van glas. Verder schilderde ze met olieverf op doek, onder andere haar atelier in Leeuwen (1936), de groententuin van haar ouders in Wijlre en een portret van haar vader (1937). Op de grote overzichtstentoonstelling Hedendaagsche Limburgsche Kunst in het Gemeentemuseum Den Haag en het Gemeentemuseum Arnhem (1937/38) was zij vertegenwoordigd met vijf olieverfschilderijen en een serie illustraties bij het zelfgeschreven gedicht Fish tales. Na het vertrek van Nicolas naar de Verenigde Staten in 1939 overwoog ze diens atelier over te nemen, maar na het afhandelen van enkele lopende en nieuwe opdrachten, besloot ze Limburg te verlaten. In 1939-40 verbleef ze regelmatig in Bergen, waar haar ouders naartoe verhuisd waren. Hier kwam ze in contact met Adriaan Roland Holst, E. du Perron en de Duitse dichter Wolfgang Frommel. In 1940 betrok ze een atelier in Amsterdam. Samen met Frommel verborg ze gedurende de oorlogsjaren in haar huis aan de Herengracht vijf Joodse kunststudenten. Voor haar hulp bij het onderduiken ontving ze in 1998 de Yad Vashemonderscheiding Onno Schilstra herkent deze situatie in een kleine gouache, getiteld ‘De Aspirant’ (tevens de titel van zijn essay), die hij aantrof in Gisèle’s atelier: drie personen staan, dicht bij elkaar, te smoezen, terwijl een vierde schuchter en nieuwsgierig toekijkt. Castrum Peregrini was het geesteskind van Wolfgang Frommel. Van de Duitse dichter Stefan George had hij een opvatting van pedagogie overgenomen die inhield dat oudere mannen jongens moesten uitkiezen om ze in te wijden in de geheimen van de poëzie en het leven. Plato’s ‘Symposion’ diende als een van de voorbeelden van deze relatie. Piet Gerbrandy belicht in zijn bespreking van deze dialoog hoe Sokrates de priesteres Diotema volgt in haar opvatting dat erotiek, mits op de juiste wijze bedreven, tot diepe filosofische inzichten leidt. Maar, als het hier gaat om het contact tussen een oudere leraar en een jonge leerling, wie leert er dan meer? De eerste, zo interpreteert Gerbrandy Sokrates’ voortgaand betoog. Hij zal ondervinden dat innerlijke schoonheid waardevoller is dan de vergankelijke fysieke aantrekkelijkheid (‘Pedagogische eros’). Het is een visie die dicht bij Arjen Mulder’s interpretatie van het tweede deel van Stefan George’s gedicht ‘In der Stern des Bundes’ komt. Niet de jongen is hier degene die in de liefdesinitiatie getraumatiseerd raakt (dus: een ander mens wordt), het is de dichter zelf die door de overgave aan zijn godheid voorgoed is veranderd (‘Het eeuwige ogenblik van Stefan George’). Los van de ‘Gisèle-thema’s staat Hans Muiderman’s essay over de filmische schrijfstijl van Marguerite Duras (‘De verbeelding van Duras’): de pen is als een camera. Hans Muiderman ontleedt ook diverse werken van de auteur en analyseert verschillende terugkerende personages zoals de oudere broer, de moeder en de minnaar. In dit nummer vabn Extaze voorts korte verhalen van Annika van Bodegraven, Guido Eekhaut, Judith de Graaf, Ines Nijs en Inge Schollen. De gedichten zijn van Jonas Bruyneel, Maria van Oorsouw en Martine van der Reijden en het beeldend werk is van Florence Marceau-Lafleur. Andermaal een hele artistieke en verzorgde uitgave van EXtaze.

 | Reacties (0)Delen |
0 reacties: