Op reis: In Patagonië & De gezongen aarde

Gelezen door: Katja Feremans (74 boeken)

Citaat: "In mijn grootmoeders eetkamer stond een kabinet met glazen ruitjes en in het kabinet lag een stuk huid. Het was maar een klein stukje, maar dik en leerachtig, met plukken grof, roodachtig haar. Het zat met een roestige speld vast aan een kaartje."

Als kind geloofde Bruce Chatwin dat het stukje huid van een brontosaurus was die duizenden jaren eerder in een gletsjer gevallen was helemaal aan het eind van de wereld, in Patagonië. Daar had de neef van Chatwins grootmoeder, Charley Milward de Zeeman, hem gevonden. Althans, zo ging de familielegende. Een biologieleraar die lachte om Chatwins brontosaurusverhaal, zette hem aan tot verder onderzoek. Het duurde een paar jaar eer hij erachter kwam dat het prehistorische dier van neef Charley geen brontosaurus was, maar wel een reuzeluiaard. Niettemin bleef het stukje huid –dat na zijn grootmoeders dood achteloos bleek weggegooid te zijn- iets magisch dat Chatwin naar Patagonië dreef. Met veel verve schreef hij over zijn wonderlijke omzwervingen en de soms bizarre ontmoetingen die hij er had.

Nog boeiender is het tweede luik van dit boek: De gezongen aarde. Daarin worden we meegenomen naar Australië. Volgens de scheppingsmythen van de Aboriginals werden hun voorouders aan het begin der tijden uit klei gevormd. Het waren totemistische wezens die over het continent gingen zwerven en daarbij de naam zongen van alles wat ze op hun weg vonden - bomen, planten, bloemen, dieren, vogels, rotsen, bergen, waterbronnen, … Door deze elementen te bezingen, kwamen ze tot leven. Naast voetsporen liet elke voorouder op die manier ook een spoor van woorden en muzieknoten na. Op basis daarvan bakenden hun nazaten territoria af voor hun clans. Zo ontstond er een communicatienetwerk tussen stammen dat zich over het hele continent uitstrekte. Een lied was er tegelijk kaart en kompas: wie het lied kende zou zijn weg vinden.

In de laatste honderddertig bladzijden ordent Chatwin de aantekeningen die hij tijdens zijn vele reizen in zijn Moleskine notitieboekjes gemaakt had. Door zijn citaten, ideeën en de neerslag van voorvallen en ontmoetingen te ordenen, hoopte hij dat zijn aantekeningen licht zouden werpen op wat voor hem veruit de belangrijkste levensvraag was: waar komt de rusteloosheid van de mens vandaan? Op basis van de oorsprong van de Zangsporen en de resultaten van paleontologisch onderzoek concludeerde hij dat de mens ‘geschapen is - van de structuur van onze hersencellen tot de structuur van onze grote teen - voor een leven van periodiek reizen te voet door een verzengend land van doornstruiken of woestijn’.

Lezend in de voetsporen lopen van deze nieuwsgierige geest is bijzonder boeiend, temeer omdat hij zijn kijk op de dingen ook nog eens fraai formuleert.

 | Reacties (0)Delen |
0 reacties: